ZUURSTOF

Novelle




     


Ik stop.


Er schiet mij een stuk uit La nausée (1938) van Jean-Paul Sartre te binnen:

‘’En toen, toen opeens was het er, glashelder: het bestaan had zich plotseling blootgegeven. Het zag er niet langer ongevaarlijk uit, zoals abstracte categorieën ongevaarlijk zijn. Het was de stof waaruit de dingen zijn gemaakt; de boomwortel was gevormd uit bestaan. Of laat ik het zo zeggen: de boomwortel, de hekken van het park, de bank, het iele gras van het gazon, dat alles was verdwenen; de verscheidenheid van de dingen, hun eigen karakter was alleen maar schijn, een vernisje. Dat vernislaagje was weggesmolten en wanstaltige, weke massa's bleven over, chaotisch - en naakt, ven een angstaanjagende, obscene naaktheid.’’

Die ontdekking die Roquentin, de protagonist in La nausée op dat moment doet, is voor mij al jarenlang een inspiratiebron. Het is inmiddels al vrij lang geleden dat ik het boek gelezen heb, maar die specifieke scène is mij altijd bijgebleven. Niet alleen omdat het een mooi geschreven stuk proza is, maar ook, eigenlijk vooral, omdat ik het voelde. Ik begreep wat er gezegd werd; ik ging mee in Roquentin’s vervreemding.

De fascinatie voor de onmogelijk uit te leggen absurditeit die achter de façade van het banale leven schuilgaat, heeft mij in een vloeiende beweging richting Georges Bataille geleid, die in onder andere L’histoire de l’œil (1928), Le bleu de ciel (1957) en Madame Edwarda (1945) dergelijke thema’s onder een aanzienlijk intenser en beangstigender vergrootglas bekijkt. Na het lezen van L’histoire de l’œil kon ik een aantal nachten niet slapen; dwanggedachten en waanbeelden drongen zich aan mij op, alsof ik mijzelf verloren was in een koortsdroom. In zekere zin viel mijn leven een hele zomer lang samen met de abstrahering die ik ervoer tijdens het lezen van de L’histoire de l’œil, een boek dat overigens slechts zo’n zestig pagina’s telt. Het sloeg in als een bom.

Na het uitvoerig lezen en bestuderen van Bataille, heb ik mij verdiept in andere auteurs met een vergelijkbaar extreem karakter: de hallucinogene Arthur Rimbaud, de mystieke, decadente Joris-Karl Huysmans, en tenslotte de beruchte De Sade. Waar ik in eerste instantie verwacht had dat De Sade’s werk een soortgelijk effect zou hebben als dat van Bataille of Sartre (in dit specifieke geval een verkenning van vervreemding middels pornografische transgressie) werd ik enigszins teleurgesteld door de koelbloedige beschrijving van seksuele overdaad binnen zijn werk Juliette (1797). Die teleurstelling moet ik wat toelichten; hij is later van belang.

In Bataille’s L’Érotisme (1957) wordt gesteld dat het het werk van De Sade ‘onmogelijk’ is. De libertijnen in De Sade’s verhalen zijn  in staat om met elkaar te praten en toe te lichten welke acties hen genot verschaffen. Het feit dat zij communiceren over hun wandaden, is problematisch: ‘Geweld is stil en De Sade’s gebruik van taal is een contradictio in terminis’ zegt Bataille.  Later komt hij hier uitgebreider op terug (vrij vertaald):

‘Hoewel de meningen van De Sade's libertijnen overeenkomen met zijn filosofie, zijn ze als geheel onsamenhangend. Soms zijn ze aangewakkerd door een haat jegens de natuur. Hoe dan ook, ze staan voor de waarde van geweld, overdaad, misdaad en marteling. Hierdoor vallen zij in het niet bij de diepe stilte die aan geweld toebehoort, omdat geweld nooit zijn eigen bestaan of recht op bestaan aankondigt; het bestaat simpelweg.’

Deze beschouwing van overdaad en intensiteit is voor mij nauw verwant aan het stuk uit La nausée waar ik eerder aan refereerde. Het bestaan, wanneer onze door de ratio geconstrueerde wereld afbrokkelt, is een ‘angstaanjagende, obscene naaktheid’, die niet kan worden beschreven met taal, omdat taal juist een van de fundaties van ons huidige leven is. Het direct omschrijven van de werkelijkheid die schuilgaat achter het rationele, die van de overdaad, obsceniteit en vernietiging, is dan ook iets wat feitelijk niet kan: het beschrijven van het onbeschrijfelijke is paradoxaal. Ik verwijs terug naar L’Erotisme:

‘De uiting van geweld staat tegenover de dubbele oppositie van de rede, die het ontkent, en het geweld zelf, dat zich vasthoudt aan een stille minachting voor de woorden die gebruikt worden om het te omschrijven.’


Bij het middels literatuur afbreken van de barrière die wij voor onszelf gecreëerd hebben, zijn wij afhankelijk van de taal, die, omdat het een menselijk construct is, eigenlijk onderdeel uitmaakt van de barrière.

Aan het begin van de COVID-19-pandemie leek het mij vanzelfsprekend om de wereldwijde ervaring van plotselinge dreiging op contrasterende wijze te vergelijken met ons seksleven, waarin wij continu experimenteren met het overschrijden van grenzen (in Zuurstof specifiek verstikking, choking). Het symbolisch uitleven van onze donkerste fantasieën is een manier waarop wij als mensheid onze taboes tijdelijk kunnen doorbreken; wij kunnen het gevaar op een speelse manier herintroduceren en onder ogen zien. Het uitbreken van een virus dat daadwerkelijk dodelijk is, dat daadwerkelijk een concreet gevaar voor onze samenleving vormt, staat daar haaks op, omdat het ons niet de illusie van controle geeft, die wij doorgaans zo goed kennen. In plaats daarvan dringt het zich aan ons op. 

Ik merk zelf echter dat ik tijdens de ‘intelligente lockdown’ een overweldigend gevoel van rust evaar. De directe dreiging van COVID-19 is voor mij heel snel verdwenen; het werken aan ‘Zuurstof’ wordt voor mij in toenemende mate minder intens, minder tastbaar. Het feit dat dat de ‘lockdown’ werkt, dat er landelijk eerder kan worden gesproken van een geforceerde retraite dan een aanhoudelijke doodsangst, is het eindpunt van mijn inspiratie.

Wat volgde was eenzelfde soort teleurstelling als bij het lezen van het werk van De Sade. Het beschrijven van wandaden en obsceniteiten werd een rationele bezigheid; iets dat eerder voortkwam uit mijn brein dan uit een pure ervaring. Ik kreeg daarmee het gevoel dat ik niet in staat was om het werk als ‘opstapje’ te laten dienen voor de verbeeldingskracht van de lezer.

Daardoor besluit ik bij dezen te stoppen met het werken aan ‘Zuurstof’. Het heeft geen nut meer voor mij. Sterker nog, ik merk dat ik er momenteel alleen maar energie aan kwijtraak. Dat betekent niet dat het schrijfproces nutteloos was. Door deze ervaring ben ik bereid om dat specifieke gevoel, het opzoeken van een zekere intensiteit, het werken aan het op kunstzinnige wijze afbreken van de ratio, bewuster op te zoeken in mijn handelen, zodat die als inspiratie kan dienen voor mijn toekomstige werk. Om het absurdistische op ritualistische wijze in mijn leven te integreren, zodat ik de juiste woorden kan vinden.

Ik heb momenteel nog twee boeken klaarliggen. ‘De moeder en de dochter’ is een novelle geschreven in 2018; het is een werk dat ik nog steeds omarm en graag wil uitbrengen. Dat gebeurt, afhankelijk van de pademie, eind dit jaar in eigen beheer en in samenwerking met de lieve en getalenteerde Esmee Jakubowski. Het andere boek, Verkwisting, is mijn tweede roman, die hopelijk het jaar daarop kan worden uitgegeven. In beide boeken heb ik voor mijn eigen gevoel een intensiteit weten te bereiken die oprecht was, die krachtig genoeg is om de lezer dichter bij een ‘grenservaring’ te brengen. Voor al mijn werk dat hierop volgt, zal ik de nieuwe kennis die ik de komende tijd zal opdoen als basis gebruiken. Dat kan natuurlijk inspiratie zijn uit de kunstwereld, maar ik wil daarbij  graag de ‘absurdistische rituelen' betrekken die ik eerder genoemd heb. Misschien dat ik iemand zal vinden die zich er samen met mij in wil verdiepen (het liefst een vrouw); misschien doe ik het alleen. Het zal hoe dan ook een lastige zoektocht worden. Ik ben even ver verwijderd van de mystieke ervaring als de gemiddelde westerling. Het uitvoeren van rituelen (los van intense ervaringen op het gebied het uitvoeren van liveoptredens) maakt nauwelijks tot geen onderdeel uit van mijn dagelijks bestaan. 

Ik merk dat ik een obsessieve drang heb  om ‘verder te gaan’; om de gevoelens die Roquentin in La nausée ervoer te blijven opzoeken. Om de de onbegrijpelijkheid  Rimbaud’s van Une saison en enfer te begrijpenOm zelf woorden te kunnen schrijven die als een opstapje naar een oprechte, intense ervaring fungeren. 

-----

P.S. Het feit dat ik nu voornamelijk Franse existentialistische en surrealistische auteurs noem, heeft grotendeels te maken met het belang van Bataille binnen mijn eigen werk. Maar ik zou even goed over Russisch futurisme, suprematisme of dadaïsme kunnen praten, omdat dit ook kunststromingen zijn die grenzen doorbreken en zoeken naar wat er achter onze perceptie ligt. Het is niet voor niets dat ik ‘De protodood in zwarte haren’ heb geschreven en twee werken van Malevitsj groot op mijzelf heb laten tatoeëren. Voor het belang van Russische avant-gardekunst en modernisme binnen werk waarbij ik betrokken ben, zou ik je naar dit artikel willen verwijzen.