EEN HUILENDE SCHILDER








‘Ja, ja...’ mompelt de schilder, waarvan Mees de naam nog steeds niet weet. Ze gaat op een krukje zitten en kijkt naar hoe de oudere man wat rommelt in een houten la. Hij trekt er twee theezakjes uit en gooit ze met een verbazingwekkende slordigheid in de theekoppen. Eén ligt er zelfs half uit. De schilder neemt het laatste trekje van zijn cigarillo, drukt hem uit in een rode asbak en komt tegenover haar staan. ‘Wat wil je dat ik doe?’ vraagt Mees, die, om geen oogcontact te hoeven hebben vlug uit het raam kijkt. ‘O, nu nog helemaal niets hoor,’ zegt de schilder. Hij komt tegenover haar op een krukje zitten en trekt een opgevouwen a4tje uit de binnenzak van zijn colbert. Hij geeft het aan Mees en wacht tot ze het heeft uitgevouwen. ‘Hier, dit is het laatste meisje dat ik geschilderd heb,’ zegt hij.

Mees kijkt naar een afbeelding van een naakt, dun meisje. Ze schat haar rond de vijftien jaar oud; een jaar jonger dan zij. ‘Maar dit is een foto,’ zegt Mees verbaasd. Ze wil het a4tje weer opvouwen, maar de schilder legt vlug zijn hand op de hare. ‘Nee, kijk er even naar,’ zegt hij. Zijn stem trilt een beetje, alsof hij opgewonden is. Mees bekijkt de foto opnieuw. ‘Wat zie je?’ vraagt de schilder. ‘Een meisje,’ zegt Mees. ‘Ja. En verder?’ vraagt de schilder. ‘Ze is naakt. En... Ze staat tegen de muur.’
‘Nee, ze staat niet tegen de muur,’ zegt de schilder, die in de lach schiet en een hand door zijn dunne, donkerblonde haren haalt. ‘Ze staat ervoor.’ zegt hij. ‘Zie je dat niet?’ Mees kijkt nog een keer, voelt zich een beetje dom en merkt dat ze niet echt meer iets durft te zeggen.

Het blijft even stil in het atelier. Af en toe klinken er voetstappen van boven. Dat vindt Mees fijn. Door die voetstappen voelt ze zich op haar gemak: het is een teken dat er iemand in de buurt is. De schilder staat op en loopt naar zijn schildersezel, die hij tijdens Mees’ binnenkomst al aan het klaarzetten was. ‘Kun je even recht tegenover mij gaan staan?’ vraagt hij, terwijl hij een droge kwast pakt. Het valt Mees op dat hij nog geen verf op zijn palet heeft. Mees doet wat hij zegt en komt vlak voor de ezel staan. ‘Oké, en of je je dan nu wilt uitkleden,’ roept de schilder, die vrijwel meteen na het roepen zijn gezicht achter zijn doek verbergt. Langzaam trekt Mees haar hemdje uit. Daarna trekt ze ook haar beha uit.

Ze heeft het meest beschamende gedeelte nu achter de rug. Het uittrekken van haar broek vindt ze minder eng.

Mees ritst haar gulp open, laat de donkere spijkerbroek over haar lange, dunne benen naar beneden glijden en gooit hem naast zich op de grond. Haar slipje voelt een beetje nat. Mees is bang dat er afscheiding in zit en dat de schilder dat zal zien, dus ze bukt iets voorover, trekt hem zo snel mogelijk uit en gooit hem bovenop haar broek. Nu ze doorheeft dat ze helemaal naakt is, weet ze niet zo goed wat ze met haar lichaam aanmoet. Het voelt alsof het niet helemaal meer van haar is. En het feit dat de schilder nog steeds niet naar haar kijkt, maakt haar onrustig. Is ze niet mooi om te zien? Is hij te druk met iets anders?

Dan heeft Mees door wat de schilder aan het doen is. Hij heeft zijn camera in zijn handen en is bezig hem in te stellen. Niet lang na die realisatie, komt de schilder vanachter zijn doek tevoorschijn en loopt hij op haar af. Hij streelt Mees kort door haar haren en bekijkt haar lichaam. Dan zegt hij dat ze net als het meisje op het a4tje voor de muur moet gaan staan. ‘En dus niet ertegenaan,’ zegt hij grinnikend. Mees doet wat hij vraagt en loopt zo snel als ze kan naar de muur. Ze vindt het fijn om even in beweging te komen. Die paar stappen aarden haar een beetje. Wanneer ze voor de muur staat, begint de schilder meteen foto’s te maken. Het is erg licht in het atelier, maar toch heeft de schilder zijn flits aanstaan. De camera maakt een gek geluid bij het maken van een foto. Een geluid dat Mees niet gewend is van haar eigen, analoge camera. ‘Wil je dat ik van houding verander?’ vraagt ze, terwijl ze niet al te veel probeert na te denken over waarom de schilder ineens veranderd is in een fotograaf. ‘Nee, blijf maar zo staan,’ zegt de schilder. ‘Maar het is wel goed als je wat vrolijker kijkt.’ Mees probeert te glimlachen, maar ze wil haar tanden niet laten zien. Ze vindt haar eigen lach lelijk. Af en toe kijkt ze snel naar beneden, naar haar borsten en haar buik, om te kunnen zien wat de schilder ziet.

Na ruim tien minuten is de schilder klaar met zijn camera. Hij legt hem naast zich neer, pakt een verftube, spuit bijzonder grote hoeveelheden verf op zijn palet en begint te schilderen. Nu begint hij Mees ineens instructies te geven. Hij zegt dat ze wat meer met haar benen wijd moet staan en haar heupen naar voren moet bewegen. Mees probeert wat, maar het lukt haar niet zo goed om in balans te blijven. Een paar keer valt ze bijna achterover. Ze lacht wat ongemakkelijk, maar de schilder blijft stoïcijns doorwerken. Terwijl Mees naar hem kijkt, vraagt ze zich af hoe hij haar kan schilderen als ze zoveel beweegt. Moest ze niet van het begin af aan dezelfde pose vasthouden? Maar dit is pas de eerste keer in haar leven dat ze geschilderd wordt, dus ze weet het zelf ook niet.

‘Scheer je je altijd?’ vraagt de schilder, die even zijn gezicht vanachter het doek toont. Mees schudt haar hoofd, maar heeft al snel door dat hij haar niet meer kan zien. ‘Nee,’ roept ze. Ze schrikt van haar eigen stemgeluid. Misschien had ze beter iets zachter kunnen antwoorden. ‘Nee,’ zegt ze er daarna nog iets zachter achteraan. De schilder lacht en schildert een paar minuten lang in stilte door. Mees blijft intussen in dezelfde houding staan. Om zichzelf af te leiden, kijkt ze naar buiten. Het is een zonnige dag, maar het is nog erg fris. Helemaal aan de andere kant van de tuin ziet ze twee kinderen in gele regenjassen lopen. ‘Zijn dat uw kinderen?’ vraagt Mees voorzichtig. Dit keer lijkt ze haar vraag echter te zacht te stellen, want de schilder antwoordt niet. ‘Zijn dat uw kinderen?’ vraagt ze opnieuw. ‘Zeg maar ‘je’ hoor,’ zegt de schilder, die weer even zijn gezicht laat zien en naar haar glimlacht. Meteen daarna werpt hij zijn blik tussen Mees’ benen, die ze instinctief sluit en een stap naar achteren doet. Ze botst met haar rug tegen de muur en zakt onhandig naar beneden.

‘Wat doe jij nu?’ vraagt de schilder grinnikend. Hij komt achter zijn canvas vandaan en gaat tegenover Mees staan. Een aantal seconden lang blijft hij zo staan, zo vlak boven haar hoofd, maar dan reikt hij zijn hand uit. Mees pakt hem en voelt hoe hij haar vrij hard omhoogtrekt. ‘Dankjewel,’ zegt ze. ‘Ik weet ook niet zo goed wat er gebeurde.’ Terwijl ze langs de schilder heen stapt, voelt ze haar gezicht rood worden. Ze kijkt naar beneden en ziet dat ze rode vlekken op haar huid heeft gekregen. De schilder komt naast haar staan en aait haar over haar schouders. ‘Weet je,’ zegt hij, ‘laten we anders even een korte pauze nemen.’ Hij gaat op het krukje zitten waar hij voor het schilderen op zat en haalt zijn sigarendoosje uit de zak van zijn colbert. Mees gaat op de andere kruk zitten. Ze werpt snel een blik naar achteren, om te kijken waar haar kleren liggen, maar ze heeft geen idee of het de bedoeling is dat ze tijdens de pauze naakt blijft. Ze durft het ook niet te vragen.

‘Dit huis was vroeger van mijn moeder,’ zegt de schilder, die met het sigarendoosje speelt. Hij schuift zijn kruk iets naar die van Mees toe, tot hij recht tegenover haar zit. ‘En het klinkt misschien heel gek, maar het voelt nog steeds niet echt als mijn huis,’ voegt hij eraan toe. Mees knikt en legt haar handen op haar schoot, om haar buikje te verbergen. Ze is niet echt dik; dat buikje is alleen te zien als ze zit. Toch schaamt ze zich er een beetje voor. Ze vraagt zich af of de schilder óók een buikje heeft.

Als hij hier naakt had gezeten, en zij had kleren aangehad, had hij zich dan geschaamd, in plaats van zij?

Ineens krijgt Mees door dat ze al veel te lang stil is geweest. ‘Wanneer is ze ook al weer overleden? Uw moeder?’ vraagt ze snel. ‘Heeft je vader dat nooit verteld?’ vraagt de schilder. Hij trekt zijn colbert uit en gooit het naast zijn kruk neer. ‘Ik geloof het niet,’ zegt Mees. Ze begint te twijfelen. Wat als haar vader haar dat wel verteld heeft, maar zij het gewoon is vergeten? Wat als de schilder het nu aan haar vader gaat vragen, en het blijkt dat ze dit had moeten weten?

De schilder begint zich een beetje vreemd te gedragen. Hij begint zacht te zuchten en legt vervolgens zijn hand op zijn voorhoofd. Dan laat hij hem zachtjes over zijn ogen glijden, waar hij hem stilhoudt. Mees meent zijn schouders wat te zien schokken. Is hij aan het huilen?

‘Gaat het wel?’ vraagt Mees, die voorzichtig opstaat. De schilder zegt niets, maar zijn schouders blijven schokken. Mees durft niet zo goed dichterbij te komen, maar wanneer de schilder nóg harder gaat huilen en zijn hele lichaam naar beneden laat hangen, loopt ze naar hem toe. Hij ziet eruit als een klein kind. Mees kan niet anders dan medelijden met hem krijgen. ‘Ach, meneer, wat is er ineens aan de hand?’ vraagt ze, terwijl ze nu vlak naast hem staat. De schilder opent zijn mond, maar het duurt een paar seconden voordat hij iets zegt. ‘Mijn moeder,’ zegt hij snikkend. ‘Ik mis haar zo erg. Ik wou dat ze er nog was.’ Mees voelt dat ze een brok in haar keel krijgt. Ze legt voorzichtig haar hand op de schouder van de schilder en overweegt hem te omhelzen, maar ze is nog steeds naakt. Dat zou een beetje gek zijn, denkt ze. Ze wil naar haar kleren gaan om in ieder geval haar hemdje aan te trekken, maar vindt het tegelijkertijd onbeschoft om nu zomaar bij de huilende man weg te lopen. Hij ziet er immers zo kwetsbaar uit.

Uiteindelijk besluit Mees de schilder toch maar te omhelzen. Ze legt haar dunne armen om hem heen en haar hoofd tegen zijn rechterschouder.

Ineens stopt de schilder met snikken. Mees schrikt er een beetje van.
Heeft ze iets verkeerds gedaan?

De ruimte is nu doodstil. Zelfs de voetstappen van boven zijn verdwenen. Mees heeft het koud. Ze voelt dat ze kippenvel krijgt. Bewegingsloos blijft ze aan de man hangen, die nog steeds half voorovergebogen zit. Ze hoort hem niet eens meer ademhalen. Hoewel ze de schilder wil loslaten en bij hem weg wil stappen, durft ze dat niet. Het is alsof zij nu ineens heel kwetsbaar is geworden; alsof ze een klein prooidier is dat doet alsof het dood is.

Mees opent haar ogen wat en voelt haar wimpers langs de nek van de schilder gaan. Zelfs daar schrikt ze van. De nek van de schilder ziet er ouder uit dan zijn gezicht, alsof hij hem zo vaak gedraaid heeft, dat de huid losser om het vlees is gaan liggen. Hij stinkt ook een beetje. Het is de muffige geur die Mees herkent van Johan, haar buurjongen. Die doucht nooit. Misschien doet de schilder dat ook niet. Of wast hij zijn haren niet vaak genoeg.

Mees weet zichzelf enigszins te kalmeren met haar eigen observaties.

Maar dan begint de schilder weer te hijgen. Nu is het een ander soort gehijg. Het is dieper en lijkt vanuit zijn middenrif te komen. Het is bijna een soort gegrom. Mees verslapt haar armen een beetje en maakt zich klaar kom naar achteren te springen, maar de schilder pakt haar hand beet en legt hem op zijn borst. Mees voelt zijn hart kloppen. Het klopt snel, maar onregelmatig. ‘Voel je dat?’ fluistert de schilder bijna onverstaanbaar zacht. ‘Ja,’ zegt Mees zachtjes. ‘Ik voel het jouwe ook kloppen,’ zegt de schilder. ‘Want je staat met je tietjes tegen mijn arm aan.’

Mees raakt in paniek. Binnen enkele seconden voelt ze haar oksels vochtig worden, en ook haar handen, waarvan er nog steeds één tegen het hart van de schilder aan wordt gedrukt, worden nat. ‘Ik voel je,’ zegt de Schilder speels. ‘Ik voe-oe-oel je,’. Ze ziet hem glimlachen. Mees wil haar hand lostrekken, maar de schilder houdt haar vast en drukt hem nog harder tegen zijn borst aan. ‘Voel je dat mijn hart sneller gaat kloppen?’ vraagt hij. ‘Ja,’ zegt Mees, die het zweet nu zelfs over haar voorhoofd voelt lopen. ‘Dat komt door jou,’ zegt de schilder. Hij draait zijn hoofd naar Mees en kijkt haar diep in haar ogen.

Mees voelt dat haar knieën beginnen te trillen. Ze wordt licht in haar hoofd en zakt langs de kruk naar de grond. Haar hoofd ligt tegen het bovenbeen van de schilder, die haar door haar haren begint te strelen. Hij laat zichzelf nu ook naar de grond zakken. ‘Kijk,’ zegt hij, terwijl hij naar buiten wijst. ‘Daarbuiten is iedereen vrij. Misschien zie je mijn jongens daar lopen. Maar hierbinnen zit alles op slot.’ De schilder wijst met zijn dunne wijsvinger door de ruimte en vervolgens naar zijn borst. ‘Hierbinnen zit alles op slot,’ zegt hij nog een keer. Mees heeft geen idee wat hij bedoelt. Ze probeert haar lichaam te bewegen, maar het lukt haar niet. ‘Maar als er dan iemand langskomt,’ gaat de schilder verder, ‘gaat alles open. Precies op het juiste moment. En dan voel ik hoe jouw lichaamswarmte de mijne wordt. En daarom wil ik je vastleggen. Omdat jij mij helpt.’ Hij pakt Mees bij haar gezicht en forceert het omhoog, tot ze elkaar aankijken. ‘Jij bevrijdt mij,’ zegt hij. ‘Jij maakt mij weer kind. Net zoals de jongens die buitenspelen. Net zoals ik, voordat mama doodging.’

Dan staat de schilder op. Hij trekt zijn overhemd recht, raapt zijn colbert van de grond en loopt terug naar zijn ezel. Mees voelt hoe haar lichaam naar de grond glijdt. Ze kan zich nog steeds niet bewegen. De schilder haalt het canvas los van de ezel en loopt ermee naar Mees. Hij zakt door zijn knieën en houdt het voor haar gezicht.

‘Hier, zegt hij. ‘Dit ben jij.’
Op het canvas staat een groot, rood hart, omringd door een open, zwarte cirkel. ‘Dit ben jij,’ zegt de schilder, ‘en jij bent hier nu met mij.’








Geredigeerd door Maaike Schneiders
Model: Lorijn