DUIVELINNEN: MISOGYNIE IN SATANISCHE KUNST







‘En de vrouwen uit deze verhalen, waarom zouden zij geen DUIVELINNEN zijn? Zijn ze niet allemaal dermate van de duivel bezeten dat ze deze koosnaam verdienen? Duivelinnen! er is er niet één bij die dat niet tot op zekere hoogte is. Er is er een niet één bij tegen wie je in alle ernst en zonder overdrijving ‘mijn engel’ kunt zeggen. Het vergaat hen zoals de duivel, die ook een engel was, maar een gevallen exemplaar — als zij engelen zijn, dan zoals hij — met het hoofd omlaag, de rest… omhoog!’
-Jules Barbey d’Aurevilly, voorwoord van Les Diaboliques, 1874



Barbey d’Aurevilly’s (1808 - 1889) beschouwing van vrouwen, namelijk dat zij van de duivel bezeten zijn, is exemplarisch voor het satanische decadentisme van het einde van de negentiende eeuw. Kijk alleen al naar de eerste zin van het verhaal De grootste liefde van Don Juan: ‘Het lievelingsgerecht van de duivel is een onschuldige vrouw’.

De zes verhalen van Les Diaboliques worden gecomplementeerd door donkere prenten, afkomstig van de Belgische kunstenaar Félicien Rops (1833 - 1898). De prenten die Rops maakte voor Les Diaboliques zijn voor zijn doen relatief mild, mogelijk omdat de eerste uitgave van het werk wegens zijn ‘gevaarlijke’ onderwerpen werd geconfisqueerd door het Franse ministerie van Justitie. Als er gekeken wordt naar Rops’ bekendere werken, zoals de reeks Les Sataniques (1882), blijkt dat de kunstenaar veelal expliciete pornografische, satanische werken maakte. Enkele voorbeelden zijn Le Calvaire (1882), L’Idole  (1882) en Le Sacrifice (1882). In alledrie de prenten worden naakte vrouwen verleid door de duivel. Rops schreef zelf (vrij vertaald) :

‘…Daarom is het in deze tijd, het einde van de negentiende eeuw, dat hij [de artiest], middels zijn beeldend werk, voornamelijk gestructureerd rondom de thema’s van liefde, lijdenschip en de dood, met als verenigend thema de vrouw, la femme fatale, in de volledige betekenis van het woord uitbeeldt. Middels haar toont hij zijn visie op zijn tijdperk. De vrouw is Satans handlanger, en wordt de opperste aantrekking, die in de man extreme ondeugd en kwelling teweegbrengt; ze is slechts een handpop.’



Félicien Rops(1833 - 1898) - L’Idole (1882)


De serieusheid van Rops kan echter in twijfel worden getrokken. Rops was immers een befaamd satirisch kunstenaar, die maar al te graag de spot dreef met veel van de negentiende-eeuwse normen en waarden rondom religie en erotiek. Hij was gefascineerd door prostituees en de seksuele aantrekkingskracht die hij jegens vrouwen die hij in het Parijse nachtleven tegenkwam voelde. Dit verklaart mogelijk de pornografische thema’s binnen zijn werk. Het cynische, donkere randje is eveneens  te verklaren: Rops had, typisch voor de decadenten, een felle afkeer van de aristocratie en hun hypocrisie. Dit komt duidelijk naar voren in een werk als Pornokratès (1878), waarin een wellustige vrouw is afgebeeld met een varken aan een lijntje, precies zoals rijke Parisiennes hun schoothondjes uitlieten.


Félicien Rops(1833 - 1898) - Pornokatès (1878)


De serieusheid van Barbey d’Aurevilly, schrijver van Les Diaboliques, kan overigens evengoed in twijfel worden getrokken. De man was een extravagante ‘dandy’; een groot gedeelte van zijn imago was zelfverzonnen. Hij was geïnspireerd door fashionisto George Brummell (1778 - 1840); zijn stijl gebruikte hij als uitgangspunt voor een essay over dandyisme.  De verhalen in Les Diaboliques zijn volgens de schrijver zelf allemaal waargebeurd, ook al is dit hoogstwaarschijnlijk niet het geval.

Toch dienen bovengenoemde kunstenaars niet volledig te worden afgedaan als onserieuze extravaganten. Joris-Karl Huysmans (1848 - 1907), naast Baudelaire het gezicht van het literair decadentisme in Frankrijk, zei over het werk van Félicien Rops (vrij vertaald):

‘Rops heeft zichzelf niet beperkt, zoals zijn voorgangers, tot het uitbeelden van lichamen, bezeten door passie, maar heeft middels het vlees de weeklacht van door koorts geteisterde zielen en het genot van gestoorde geesten weten uit te lokken; hij heeft demonische vervoering met eenzelfde intensiteit uitgebeeld als anderen dat met mystieke verlangens doen.’


Huysmans, die net als Barbey d’Aurevilley katholiek was, in de duivel geloofde en een uitgebreide kennis bezat van middeleeuws christelijk mysticisme —de lezer hoeft slechts enkele passages uit À Rebours (1884) te lezen om dit te erkennen— ziet dat Rops in staat was om zijn werk van een mystieke lading te voorzien. Deze lading getuigt van van meer overtuiging en inhoud  dan andere satirische kunstenaars uit zijn tijd.

Of de bovengenoemde decadente kunstenaars daadwerkelijk misogyn kunnen worden genoemd, is voor mij een nagenoeg onmogelijk te beantwoorden vraag: er moet rekening worden gehouden met hun tijdsgeest en referentiekader. Wij kunnen onze moderne termen nauwelijks tot niet op hen toepassen. Het staat echter vast dat er binnen decadente, satanische kunst continu een link wordt gelegd tussen vrouwen en demonische krachten. Dit is niet vreemd, aangezien de kunststroming nauw verwant is (en speelt met) het katholieke geloof, dat in Europa lange tijd bekend heeft gestaan om de systematische onderdrukking en vervolging van vrouwen. 

De vrouw die door de duivel verleid wordt en op haar beurt de man verleidt, komt mogelijk het duidelijkst naar voren binnen het werk La Dame au Pantin  (1885) van Félicien Rops, waarop een vrouw verleid wordt door een duivelachtige Eros, en op haar beurt een man verleidt, die zij als een machteloze pop in haar hand houdt. Centraal in dit allegorische schilderij staat de angst die mannen voor vrouwen voelen; de controle die mannen kwijtraken, wanneer zij zichzelf verliezen in de schoonheid van het andere geslacht.


Félicien Rops (1833 - 1898) - La Dame au Pantin  (1885)


Het feit dat mannen, die tot het fin de siècle een, vanuit hedendaags perspectief, nagenoeg ongekende machtspositie bezaten, zichzelf instinctief overgaven aan de schoonheid van de vrouw (en alle mogelijke pijn die vervolgens uit een potentiële afwijzing kon voortomen), moest erg verwarrend zijn geweest. De vrouw werd in religieus en maatschappelijk opzicht als inferieur gezien, maar in biologisch opzicht was zij dit absoluut niet: de vrouw is immers de drager van het kind; zij is verantwoordelijk voor het selecteren van de juiste partner met de sterkste genen. Deze tegenstelling moet geresulteerd hebben in het beeld van de vrouw als kwaadaardig schepsel: zij had een bepaalde macht die boven maatschappelijke constructen uitsteeg. Een kracht die niet te beteugelen was; die door pre-christelijke, polytheïstische religies erkend werd, maar binnen het negentiende-eeuwse katholicisme onderdrukt werd, middels wetgeving, normen en waarden.

Binnen mijn eigen werk heb ik meerdere keren gespeeld met het idee van de vrouw als personificatie van het kwaad. Dit zie ik zelf als een reactie op (en knipoog naar) het decadentisme. Neem bijvoorbeeld Béatrice Charron, die Pedro in De protodood in zwarte haren (2019) probeert te verleiden en bereid is haar man te bedriegen. In Pedro’s geest is zij de manifestatie van het zwarte vierkant; in andere woorden, het onbekende (Satan). Datzelfde kan gezegd worden over het personage Claire ‘Chauchat’ Petit, die feitelijk hetzelfde doet, maar op een subtielere, verfijnde manier.

De verleidingskracht van de vrouw en de gedwongen kwetsbaarheid die traditioneel bij het mannelijk geslacht ontstaat wanneer er een poging tot versieren wordt gedaan, zijn vergelijkbaar met  aftasten in het donker. Er wordt een deel van de eigen persoonlijkheid ingeleverd, een stap naar de ander, een onbekend terrein, gezet en daarmee afstand gedaan van het ego, dat kosten wat het kost pijn wil vermijden. Wanneer deze pijn middels afwijzing toch gevoeld wordt, resulteert dit in woede en minachting.

Laten wij de decadenten lezen met een hedendaagse, geëmancipeerde blik. Laat de vrouw nog altijd het onbekende symboliseren, haar mysterieuze karakter behouden, maar laten wij dit niet langer zien als iets kwaadaardigs: het aftasten in het donker, het smoren van het ego en overgeven aan de ander is een deugd, die de mensheid als geheel tot een hoger niveau kan brengen. Laten wij de duivelinnen en demonen van Barbey d’Aurevilly en Rops eren en hen verheven tot muzes van het onbekende, die kunnen verleiden en afwijzen in grenzeloze vrijheid.